Een regionale mediaorganisatie met ongeveer honderd vaste medewerkers en zeventig freelancers kampte jarenlang met grensoverschrijdend gedrag op de werkvloer. Hoewel er geen formele klachten waren ingediend, liet een recent tevredenheidsonderzoek onder medewerkers een zorgwekkend beeld zien. Medewerkers meldden intimidatie, harde grappen en discriminerend taalgebruik. Vooral jongere collega’s en nieuwkomers voelden zich onveilig. Voor het managementteam was dit aanleiding om een cultuurdiagnose te laten uitvoeren en een verandertraject te starten.
De organisatiecultuur had zich in de loop der tijd ontwikkeld. In de beginjaren bouwde de organisatie een reputatie op met gedurfde, prikkelende journalistiek. Informele en soms harde omgangsvormen werden gezien als onderdeel van die identiteit. Later kwam de organisatie in een moeilijke financiële periode terecht, met reorganisaties en ontslagen. Veel medewerkers voelden zich in die fase onvoldoende gesteund, wat leidde tot wantrouwen richting het management en een cultuur waarin problematisch gedrag zelden werd aangesproken.
In de praktijk uitte deze cultuur zich in grove grappen over vrouwen, etniciteit en seksuele oriëntatie, woede-uitbarstingen onder tijdsdruk en het ‘testen’ van nieuwe collega’s met vernederende opmerkingen. Een invloedrijke afdeling met een sterke interne status speelde een belangrijke rol in het in stand houden van deze normen. Terwijl veel medewerkers dit soort onderlinge plagerijen als onderdeel van de werkcultuur beschouwden, hadden anderen er last van, maar spraken zich daar zelden over uit.